natuurschoon in de Kroondomeinen
  • na·tuur·schoon
enkelvoud meervoud
naamwoord natuurschoon
verkleinwoord

het natuurschoono

  1. mooie en waardevolle natuur
    • Dennis en Esther gingen in november op prospectie naar Canada. Ze waren onder de indruk van de sociaaleconomische ontwikkeling en het natuurschoon maar de gedachte aan migreren stond hen tegen. Canada was té koud, té leeg, een brug te ver. [2] 
    • Tijdens Hemelvaarstdag hebben de vrijwilligers bij het MBS enige hinder ondervonden. De treinen hadden te kampen met vertragingen vanwege werkzaamheden. "Maar verder konden passagiers gewoon genieten van het natuurschoon onderweg. Uiteindelijk is alles in goed overleg gegaan en zijn we met Rijkswaterstaat en de aannemer tot een goede oplossing gekomen. Door de gemaakte afspraken kunnen de treinen van MBS zoveel mogelijk rijden tijdens het seizoen." [3] 
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard ZATERDAG 1 JULI 2017
  3. Tubantia 11-08-2017