Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geest’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ziel zielen
verkleinwoord zieltje zieltjes

Zelfstandig naamwoord

ziel v/m

  1. het wezen van het niet-stoffelijke van de mens
    • Hij is misschien wel overleden, maar zijn ziel zal altijd voortleven. 
    • Ik heb aan het begin van mijn carrière de fout gemaakt dat ik mijn ziel in mijn werk legde. Dat moet je niet doen, want je krijgt hem niet terug, niet in dezelfde staat tenminste. Ik neem mijn ziel met me mee de zaal uit, maar hij voelt steeds minder eigen, eerder als een vergeten rekwisiet dat ik uit beleefdheid meeneem voordat de lichten doven.[2] 
     Graag zou ik willen geloven in een ziel die doorleeft na de dood, maar ik geloof eerder dat de zielen van onze overleden vrienden voortleven in de harten van mensen die aan hen terugdenken.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een goed geloof en een kurken ziel dan kunje drijven
Stoett [4]
  • Iemand op zijn ziel geven
Stoett [5]
  • Met hart en ziel (doen)
met plezier en passie iets doen
  • Met zijn ziel onder de arm lopen
zich vervelen
  • Ter zielen gaan
sterven
  • Zijn ziel in lijdzaamheid bezitten
geduldig afwachten wat er gebeuren gaat
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "ziel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 15
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4. www.dbnl.org
  5. www.dbnl.org
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be