zielenpoot

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·len·poot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zielenpoot zielenpoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zielenpoot m [1]

  1. iemand die heel zielig is
    • Wat is er met zo’n bestuurslid gebeurd? Waar ging het mis? Ik weet ook wel dat alle clubmensen zielenpoten zijn. Maakt niet uit of het om voetbal, hockey of korfbal gaat. Bestuurskamers van amateurclubs worden al eeuwen gevuld met sneuneuzen die zowel op hun werk als thuis niks in te brengen hebben en zich daarom binnen een vereniging moeten laten gelden. Liefst zeven avonden per week. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Youp van 't Hek 17 februari 2017
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be