zielenheil

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·len·heil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zielenheil
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zielenheil o [1]

  1. het geluk en de rust die je hebt als je leeft als een goed mens
    • Een leider binnen de Russisch-Orthodoxe Kerk heeft de gelovigen vrijdag opgeroepen te bidden voor „het zielenheil” van Vladimir en Ljoedmila Poetin. „Het bericht van hun scheiding is triest nieuws”, zei Kirill Frolov van de Orthodoxe Burgerunie.[2] 
  2. (religie) de rust en het geluk van een overleden persoon in het hiernamaals
    • Ook zaterdag werd de populaire Bhumibol overal herdacht. Talloze onderdanen, veelal in het zwart gekleed, alsmede vele boeddhistische monniken baden op straat voor het zielenheil van de overleden koning. De kroonprins is veel minder populair. Prins Maha is drie keer getrouwd en gescheiden, en liet zich weinig in Thailand zien. Hij verbleef onder meer vaak en lang in Duitsland.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 07 jun. 2013
  3. de Telegraaf 15 okt. 2016
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be