Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heil
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘welzijn, redding’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • Afgeleid van heel (onaangetast, volledig). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord heil -
verkleinwoord heiltje heiltjes

Zelfstandig naamwoord

heil o

  1. welzijn, voorspoed, redding, verlossing
    • Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens) 
  2. voordeel.
    • Ik zie daar geen heil in. 
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen