zaligheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord zaligheid -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord zaligheid zaligheden
verkleinwoord zaligheidje zaligheidjes

Zelfstandig naamwoord

zaligheid v

  1. (religie) een toestand waarin men gerechtvaardigd is tegenover God
    • De zaligheid van paus Johannes Paulus II is onlangs door de huidige paus afgekondigd. 
  2. overdrachtelijk iets geweldig fijns
    • Wat een zaligheid dat je eindelijk voor dat examen geslaagd bent! 
Vertalingen


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be