onheilig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·hei·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onheilig onheiliger onheiligst
verbogen onheilige onheiligere onheiligste
partitief onheiligs onheiligers -

Bijvoeglijk naamwoord

onheilig

  1. niet heilig.
Antoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be