Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hei·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verheven’ voor het eerst aangetroffen in 776 [1]
  • afgeleid van heil met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen heilig heiliger heiligst
verbogen heilige heiligere heiligste
partitief heiligs heiligers -

Bijvoeglijk naamwoord

heilig

  1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
  2. (figuurlijk) van iets dat het van uitzonderlijk belang is
     De rest van de heilige reep knaagde ik in minuscule hapjes gedurende de dag op. Zelden had ik zo’n knorrende maag gehad.[3]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De heilige hermandad
de politie [4]
  • Een heilig boontje zijn
erg braaf zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
heiligen

heilig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heiligen
    • Ik heilig. 
  2. gebiedende wijs van heiligen
    • Heilig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heiligen
    • Heilig je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen