schijnheilig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schijn·hei·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schijnheilig schijnheiliger schijnheiligst
verbogen schijnheilige schijnheiligere schijnheiligste
partitief schijnheiligs schijnheiligers -

Bijvoeglijk naamwoord

schijnheilig

  1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
    • Zo iets schijnheiligs zeggen is werkelijk een schandaal! 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen