heilloos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heil·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van heil met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen heilloos heillozer heilloost
verbogen heilloze heillozere heillooste
partitief heilloos heillozers -

Bijvoeglijk naamwoord

heilloos

  1. zonder heil
    • Al je spaargeld gebruiken om te gokken op de aandelenbeurs is een heilloze manier om een rustig en gelukkig leven te leiden. 
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be