• be·zie·len
  • Afgeleid van ziel met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezielen
bezielde
bezield
zwak -d volledig

bezielen

  1. overgankelijk inspireren
    • Die woorden van hem bezielden ons. 
  2. overgankelijk tot leven wekken
    • Hij bezielde het bijna dode dier. 
  • wat bezielt jou?
    waarom doe je zoiets geks?
• Ik snap niet wat jou bezielde toen je met je fiets door rood reed! 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be