bezielen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zie·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ziel met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezielen
bezielde
bezield
zwak -d volledig

Werkwoord

bezielen

  1. overgankelijk inspireren
    • Die woorden van hem bezielden ons. 
  2. overgankelijk tot leven wekken
    • Hij bezielde het bijna dode dier. 
Uitdrukkingen en gezegden
  1. wat bezielt jou?: waarom doe je zoiets geks
    • Ik snap niet wat jou bezielde toen je met je fiets door rood reed! 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be