zielenstrijd


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·len·strijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zielenstrijd
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zielenstrijd m [1]

  1. innerlijke strijd van het geweten
     Er breekt licht door in de hevige zielenstrijd van Ludwig Harms als hij op zekere avond de tekst uit Joh. 17:3 leest alsof hij die voor het eerst onder ogen krijgt: „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God; en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.”[2]
     Zijn zielenstrijd om tot het geloof in Christus te komen was intens. Het schortte hem aan Bijbels inzicht in de rechtvaardiging door het geloof. Hij meende daarvoor eerst geschikt gemaakt te moeten worden.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron A. Stam   “Ludwig Harms offerde zijn brood aan Wodan” (19-11-2015), Reformatorisch Dagblad
  3.   Weblink bron “Dugald Buchanan, arbeidzaam dichter uit de Schotse Hooglanden” (25-11-2016), Reformatorisch Dagblad