Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: backen
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bakken bakkend
gebak gebakken
baksel
bakker
  • bak·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bakken
/'bɑ.kə(n)/
bakte
(biek[4])
/'bɑk.tə/
gebakken
/ɣə.'bɑ.kə(n)/
zwak -t

gemengd

volledig [A]

[A] bakken

  1. overgankelijk, (kookkunst) voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter
    • Oliebollen bakken hoort echt bij oudejaarsavond. 
     Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.[5]
  2. overgankelijk, (materiaalkunde) klei of aarde sterk verhitten om er stenen voorwerpen van te maken
    • Hij bakte potten. 
  • Er niets van bakken
Ergens totaal niet in slagen
  • Het al te bruin bakken
te erg maken
  • Hij is bakkeran of hij is bak an
  • Iemand een kool stoven ( of bakken)
  • Iemand een poets bakken
een grap met iemand uithalen
  • Iemand een poets spelen ( of bakken)
  • Iemand iets bakken
  • Met de gebakken peren (blijven) zitten
voor de moeilijkheden opdraaien
  • Zoete broodjes bakken
poeslief/erg vriendelijk zijn
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bakken
bakte
gebakt
[B]
zwak -t volledig

bakken

  1. ergatief (onderwijs) (informeel) zonder succes examen doen

de bakkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bak
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]


  • bak·ken
Naar frequentie 4370

bakken

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van bak

bakken

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van bakke


  • bak·ken
Naar frequentie 1268

bakken

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van bakk

bakken

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van bakke


  • bak·ken

bakken

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van bakk

bakken

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van bakke