baklucht

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·lucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baklucht bakluchten
verkleinwoord bakluchtje bakluchtjes

Zelfstandig naamwoord

baklucht v/m

  1. de geur van het bakken
    • De heerlijke baklucht van de cake deed me het water in de mond lopen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be