• pro·gram·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord programma programma's
verkleinwoord programmaatje programmaatjes

het programmao

  1. (informatica) applicatie voor de computer
    • Hij schreef een nieuw programma in C++. 
  2. aantal activiteiten voor een bepaalde tijd
    • We hebben een heel programma om de kinderen bezig te houden. 
  3. (media) uitzending op radio of televisie
    • Het journaal is een veelbekeken programma. 
  4. los blaadje met informatie over de uitvoering of het concert dat men bijwoont
    • Wilt u een programma, meneer? 
  5. (politiek) onderling afgesproken doelstellingen en plannen
    • Dit past niet binnen het programma van onze partij. 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]


programma v

  1. programma