• lijst
  • In de betekenis van ‘rand’ voor het eerst aangetroffen in 1277 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lijst lijsten
verkleinwoord lijstje lijstjes

de lijstv / m

  1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
    • Ik heb die belangrijke lijst thuis laten liggen. 
     Het stond in ieder geval hoog op mijn lijstje en ik was erg benieuwd wat het met me zou doen, vooral mentaal gezien.[3]
     Toch had ik haar hele lijst integraal ingekocht in een gigantische supermarkt in San Diego, genoeg voor de eerste zeven weken.[3]
  2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
    • Kijk toch eens naar die mooie lijst om dat portret. 
  3. een kader of omtrek
    • Op die afbeelding hebben alle afbeeldingen een lijst. 
  4. een vooruitspringende rand aan een gebouw
    • De lijst van die gevel is niet erg mooi. 
vervoeging van
lijsten

lijst

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van lijsten
  2. gebiedende wijs van lijsten
vervoeging van
lijzen

lijst

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijzen
    • Jij lijst. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijzen
    • Hij lijst. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van lijzen
    • Lijst! 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]