Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zijl
  • zeil
enkelvoud meervoud
naamwoord zeil zeilen
verkleinwoord zeiltje zeiltjes

het zeilo

  1. (scheepvaart) doek dat in een mast gehesen is om wind te vangen en die het schip voortbeweegt
  2. (scheepvaart) het geheel van alle zeilen van een schip
  3. vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag (zoals linoleum)
  4. doek voor diverse doeleinden (afdekken)
     Hij vertelde me dat hij ooit vijf dagen volledig afgezonderd in de Australische outback was gedropt met niet meer dan een stuk zeil, wat eten en drinken en een bijbel.[4]
  1. zeilboot, surfplank
  2. onder zeil
  3. linoleum, marmoleum
  4. zeildoek
  5. vloot
  • [1] zeil hijsen, zetten
    zeil de mast in omhoog halen
  • [1] zeil in top zetten
    zeil helemaal naar boven hijsen
  • [1] zeil reven
    het zeiloppervlak verminderen
  • [1] zeil strijken
    zeil uit de mast weer omlaag halen
  • [1] zeil trimmen
    zeil in optimale stand zetten
  • [2] onder zeil
    zeilend (zie ook onder: Uitdrukkingen en gezegden)
  • [2] veel zeil voeren
    met veel zeilen gehesen varen
  • [1] alle zeilen bijzetten
    alles uit de kast halen om het alsnog te halen
  • [1] een oogje in het zeil houden
    bewaken, toezien op
  • [1] met volle zeilen
    met grote snelheid (letterlijk: met alle zeilen gehesen)
  • [1] met de zeilen voor de mast liggen
    niet goed verder kunnen, hulpeloos zijn
  • [1] met de zeilen voor de mast (op)wachten
    helemaal klaar staan om het tegen iemand op te nemen
  • [1] met een nat zeil thuis komen
    ondanks tegenwind (tegenwerking) toch bij het doel aankomen
  • [1] met opgestoken zeilen
    driftig
  • [1] onder zeil
    naar bed, slapend (zie ook onder: Typische woordcombinatie)
  • [2] een vloot van twintig zeilen
    een vloot van twintig schepen
  • [1] onder een staand zeil is het goed roeien
    naast een vast inkomen met wat klusjes wat bijverdienen om goed rond te kunnen komen
vervoeging van
zeilen

zeil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeilen
    • Ik zeil. 
  2. gebiedende wijs van zeilen
    • Zeil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeilen
    • Zeil je? 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]