zeilklaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeil·klaar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zeilklaar zeilklaarder zeilklaarst
verbogen zeilklare zeilklaardere zeilklaarste
partitief zeilklaars zeilklaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

zeilklaar

  1. gereed om te gaan zeilen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zeilklaar maken
klaar maken om weg te zeilen
  • zeilklaar liggen
gereed zijn om direct weg te zeilen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be