Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paar paren
verkleinwoord paartje paartjes

Zelfstandig naamwoord

paar o

  1. twee geliefden die een relatie hebben
  2. twee personen of zaken die bij elkaar horen
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Onbepaald voornaamwoord

paar

  1. meerdere, maar niet heel veel
    • Neem jij een paar appels mee? 
    • Die paar mensen zonder auto moeten maar gaan lopen. 
     De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.[5]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen paar
verbogen pare
partitief paars

Bijvoeglijk naamwoord

paar

  1. even in getal
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
paren

paar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Ik paar. 
  2. gebiedende wijs van paren
    • Paar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Paar je? 
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar

Onbepaald voornaamwoord

paar

  1. paar
    «Letschde Woch hemmer ee paar scheene warme Daage ghatt.»
    Vorige week hebben we een paar mooie dagen gehad.
Opmerkingen