[1]. Deze sportschoenen zijn een versleten, nog net herkenbaar paar
[2]. Een lachend paar
  • paar
enkelvoud meervoud
naamwoord paar paren
verkleinwoord paartje paartjes

het paaro

  1. twee personen of zaken die bij elkaar horen
  2. (pregnant) twee geliefden die een relatie hebben

paar

  1. meerdere, maar niet heel veel
    • Neem jij een paar appels mee? 
    • Die paar mensen zonder auto moeten maar gaan lopen. 
     De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.[5]
stellend
onverbogen paar
verbogen pare
partitief paars

paar

  1. even in getal
vervoeging van
paren

paar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Ik paar. 
  2. gebiedende wijs van paren
    • Paar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Paar je? 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]


  • paar

paar

  1. paar
    «Letschde Woch hemmer ee paar scheene warme Daage ghatt.»
    Vorige week hebben we een paar mooie dagen gehad.