• pa·ren

de parenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord paar


paren [1] [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paren
paarde
gepaard
zwak -d volledig
  1. onovergankelijk samen met iets of iemand anders een paar/koppel vormen
  2. overgankelijk koppelen, tot een paar maken, verbinden
     De chique, ruime schrijftafel van ebbenhout, die stijlvol was ingelegd met lichtere houtsoorten, die voor het raam was geplaatst naast de openslaande deuren naar het terras en die gepaard was aan een sobere maar degelijke en comfortabele houten bureaustoel uit de jaren dertig, had ik al meteen bij binnenkomst opgemerkt.[3]
  3. onovergankelijk (biologie), (seksualiteit) seksuele gemeenschap hebben, vooral van dieren gezegd
     Een reusachtige oranjetip schiet er tussendoor en aan de overkant gebeurt ook iets. Daar heeft een zwart-witte page een vrouwtje gevonden om mee te paren. Beide vlinders zijn klaar om een nieuwe generatie te stichten.[4]
     Ze grapte dat ze een zwarte weduwe was die haar mannetje na het paren opat.[5]
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. paren op website: Etymologiebank.nl
  3. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18
  4.   Weblink bron
    Kees van Reenen
    “Vlinders in het regenwoud? Dat is genieten” (23-08-2019), Reformatorisch Dagblad
  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  6.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


vervoeging van
parar

paren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parar
vervoeging van
parir

paren

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parir