• ge·lijk
enkelvoud meervoud
naamwoord gelijk -
verkleinwoord - -

het gelijko

  1. juistheid, recht
    • Hij heeft gelijk, het is mijn schuld. 
  • gelijk hebben
een gedachte hebben die overeenkomt met de werkelijkheid
•  Die 18-jarige Goldie had helemaal gelijk, waarom kon ik niet gewoon van het moment genieten? [2] 
menschen van eene soort hebben dezelfde eigenschappen of rechten; ook bij het verdeelen van iets: menschen met gelijke rechten maken aanspraak op gelijke deelen.

[3]

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelijk gelijker gelijkst
verbogen gelijke gelijkere gelijkste
partitief gelijks gelijkers -

gelijk

  1. met elkaar overeenstemmend
    • Gelijke monniken, gelijke kappen. 

gelijk

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
  • gelijk zijn aan
vervoeging van
gelijken

gelijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
    • Ik gelijk. 
  2. gebiedende wijs van gelijken
    • Gelijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
    • Gelijk je? 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]
  1. "gelijk" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  3.   Weblink bron
    F.A. Stoett
    “Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden.”, vierde druk (1923-1925), W.J. Thieme & Cie, Zutphen, p. 43 op dbnl.org  
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be