• het·zelf·de
  • In de betekenis van ‘aanwijzend voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
  • samenstelling van  het  en  zelfde  [2]

hetzelfde

  1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
    • Dit is hetzelfde boek dat ik gisteren zat te lezen. 
    • Hij heeft weer hetzelfde gedaan als vorige week. 
     Vloekend dat ik weer in zo’n onaangename situatie was verzeild, daalde ik strompelend hetzelfde pad af dat ik een uur geleden had beklommen.[3]
     Want nadat hij terugkeerde van de Hardangervidda, en de Spoorlijn tegen alle voorspellingen van de zogenaamde kenners in werkelijkheid was geworden, zou zijn leven nooit meer hetzelfde zijn.[4]
  • voor hetzelfde geld
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]