Koper [2]
Periodiek systeem der elementen (nld)
H He
Li Be B C N O F Ne
Na Mg Al Si P S Cl Ar
K Ca Sc Ti V Cr Mn Fe Co Ni Cu Zn Ga Ge As Se Br Kr
Rb Sr Y Zr Nb Mo Tc Ru Rh Pd Ag Cd In Sn Sb Te I Xe
Cs Ba * Hf Ta W Re Os Ir Pt Au Hg Tl Pb Bi Po At Rn
Fr Ra ** Rf Db Sg Bh Hs Mt Ds Rg Cn Nh Fl Mc Lv Ts Og
* La Ce Pr Nd Pm Sm Eu Gd Tb Dy Ho Er Tm Yb Lu
** Ac Th Pa U Np Pu Am Cm Bk Cf Es Fm Md No Lr

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘metaal’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [1] afgeleid van kopen met het achtervoegsel -er.
  • [2] de naam is vermoedelijk een verbastering van "Cyprus".
1 enkelvoud meervoud
naamwoord koper kopers
verkleinwoord
2 enkelvoud meervoud
naamwoord koper
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

koper

  1. m: persoon die koopt
    • Ze konden geen kopers vinden voor hun peperdure huis. 
  2. o: (scheikunde), (element) een scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29. Het is een roodgeel overgangsmetaal
    • Na het veel duurdere zilver is koper de beste geleider van elektrische stroom en van warmte van alle metalen. 
Verwante begrippen
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
koperen

koper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koperen
    • Ik koper. 
  2. gebiedende wijs van koperen
    • Koper! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koperen
    • Koper je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen