haven

- ha·ven
de haven v
- (waterbeheer) natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen
- De haven van Rotterdam.
- De boot lag in de haven.
- ▸ De economische voorspoed van Suriname is voor een groot deel afhankelijk van de haven in Paramaribo.[3]
|
Een veilige plaats waar men in gevaarlijke tijden kan schuilen
veilig ergens zijn (bv na een reis)
vlak voor het einde/ de voltooiing in de fout gaan of in problemen komen |
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
- Het woord haven staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "haven" herkend door:
100 % | van de Nederlanders; |
99 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "haven" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ haven op website: Etymologiebank.nl
- ↑
“Modernisering nieuwe haven”, Ballast Nedam
- ↑
Weblink bron “Euro voor het eerst in twintig jaar precies evenveel waard als dollar” (12 juli 2022), NU.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- ha·ven
Naar frequentie | 3592 |
---|
- ha·ven
Naar frequentie | 9870 |
---|