[1] Een muis.
[3] Een muis.
[5] Beschuit met muisjes.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord muis muizen
verkleinwoord muisje muisjes

Zelfstandig naamwoord

muis v [3] [4]

  1. (knaagdieren) klein knaagdier, meestal van het geslacht Mus, met spitse snuit, grote oren en ogen en een lange, bijna onbehaarde staart
     Soms ook zelfs plastic driewielers, leren laarzen en een bierflesje met een dode muis erin.[5]
  2. verlegen, onopvallend persoon
  3. (informatica) invoerapparaat voor de computer dat wordt bewogen over een mat of ander oppervlak om een aanwijzer op een beeldscherm te bewegen
    • Mijn muis was stuk dus moest ik alles met het toetsenbord doen. 
  4. (anatomie) het onderste vlezige deel van de duim
  5. (alleen verkleinwoord meervoud) gesuikerde anijszaadjes, gebruikt als broodbeleg
    • Als er een kind geboren is, wordt traditioneel getrakteerd op beschuit met muisjes. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
muizen

muis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van muizen
    • Ik muis. 
  2. gebiedende wijs van muizen
    • Muis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van muizen
    • Muis je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be