Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scherp
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘puntig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen scherp scherper scherpst
verbogen scherpe scherpere scherpste
partitief scherps scherpers -

Bijvoeglijk naamwoord

scherp

  1. goed snijdend
    • Vlees snijden gaat enkel met een scherp mes. 
     Het laatste stuk baanden we ons een weg door hoog gras en scherpe struiken.[2]
  2. (van een hoek) van minder dan 90°
    • Er werd een vraag gesteld over een scherpe hoek tijdens de wiskundeles. 
  3. beter dan gemiddeld
    • De uitverkoop zat weer vol met scherpe prijzen. 
     Verder merkte ik dat mijn smaak iets scherper werd zodat ik me onmiddellijk stoorde aan de chemische smaak van het kraanwater in de stad na weken uit de rivier te hebben gedronken.[2]
  4. de zintuigen sterk, vaak negatief, prikkelend
    • Hij kon niet meer tegen die scherpe geluiden. 
  5. sterk smakend, hartig, pikant, pittig
    • Zij eet vaak scherpe knoflooksaus. 
  6. heel afkeurend
    • Er kwam scherpe kritiek op plannen van minister Eurlings. 
  7. duidelijk weergegeven
    • Ik heb een aantal foto's met scherpe contouren. 
  8. scherpzinnig
    • Hij heeft nog altijd een scherpe blik. 
  9. heel precies


Bijwoord

scherp

  1. heel precies afgesteld
     Mijn zintuigen stonden helemaal op scherp tijdens die eerste kilometers.[2]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scherpen

scherp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scherpen
    • Ik scherp. 
  2. gebiedende wijs van scherpen
    • Scherp! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scherpen
    • Scherp je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen