jagen [1]
 
Het jagen [2] van een vrachtschip (Nat. Archief)
  • ja·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jagen
jaagde
joeg
gejaagd
klasse 6

zwak -d

volledig

jagen

  1. inergatief bewegende wezens (bijv. dieren) proberen te vangen
    • Er wordt ook gejaagd op herten. 
     De wind joeg door de scheuren van het dak regen als het herfst en sneeuw als het winter was.[2]
  2. overgankelijk (scheepvaart)(verouderd) het door mens of dier vanaf de wal slepen van schuiten
     Vrachtvervoer vereiste geen grote snelheid en geschiedde nog enige tijd per gejaagde schuiten, terwijl ook grotere vrachtzeilschepen bij windstil weer nog werden gejaagd.[3]
  3. onovergankelijk snel voortgaan
    • De wind joeg door de bomen. 
  • [1] jagen op
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]


stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jagen
/ˈjaːɡən/
jagte
/ˈjaːktə/
gejagt
/ɡəˈjaːkt/
volledig
  • IPA: /ˈjaːɡən/
  • ja·gen

jagen

  1. jagen