organisatie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·ga·ni·sa·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord organisatie organisaties
verkleinwoord organisatietje organisatietjes

Zelfstandig naamwoord

organisatie v [1]

  1. het organiseren
    • Het is nog een hele organisatie om het feest voor te bereiden. 
  2. de manier waarop iets georganiseerd is
    • De interne organisatie van dat bedrijf is hoogst ondoorzichtig. 
     En met de Duitse organisatie en techniek kon er de hoognodige orde komen in het Franse gekkenhuis.[2]
  3. een groep, instantie e.d. die een bepaald doel of een bepaalde (vaak economische) rol in de maatschappij heeft (zoals een bedrijf e.d.)
    • Deze organisatie leidt de strijd tegen AIDS. 
     De PCT is de laatste jaren erg populair geworden, waardoor de overkoepelende organisatie, de Pacific Crest Trail Association, een maximaal aantal van 50 startbewijzen per dag heeft ingesteld.[3]
Hyponiemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be