Huidig
bestand
56
  • -i·cus

-icus [1]

  1. vormt zelfstandige naamwoorden van andere (voor)naamwoorden en betekent "behorende tot".


  • Overgeërfd uit het Proto-Indo-Europees. Van dezelfde stam komen ook het Nederlands-Duitse -ig, het Engelse -y en het Oudgriekse -ικός. De afgeleide vorm zonder bindklinker i is -cus.

-īcus

  1. vormt bijvoeglijke naamwoorden van andere (voor)naamwoorden en betekent "behorende tot".
    «civis → civicus»
    burger → burgerlijk
    «ūnus → ūnicus»
    een → alleen, uniek
    «bellum → bellicus»
    oorlog → oorlogs-