syndicus


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • syn·di·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
enkelvoud meervoud
naamwoord syndicus syndici
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

syndicus m

  1. raadgever
  2. pensionaris, secretaris
    • In 1479 verliet Agricola Italië weer. Hij keerde terug naar Groningen en werd daar syndicus (secretaris) in dienst van de stad. In die hoedanigheid ging hij twee keer naar Brussel om er de belangen van de stad te behartigen. [1] 
  3. beheerder van een flatgebouw
    • ‘Bedoeling is dat bewoners erdoor het gevoel krijgen dat zij en hun woning in goede handen zijn', zegt minister Geens. 'Voor syndici is het dan weer belangrijk dat ze eindelijk erkenning krijgen voor hun job.' Dat syndici zich lang niet altijd erkend voelen, mag blijken uit de daling van hun aantal. Terwijl er in ons land elk jaar 3.220 flats bijkomen, zijn er steeds minder professionele syndici om ze te beheren, zo bleek eind vorig jaar uit statistieken van de FOD Economie. [2] 

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen