bestuurder

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stuur·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bestuurder bestuurders
verkleinwoord bestuurdertje bestuurdertjes

Zelfstandig naamwoord

bestuurder m

  1. (verkeer) persoon die een voertuig bestuurt
    • De bestuurder verloor de macht over het stuur en raakte van de weg. 
    • Een vrachtwagenchauffeur heeft zijn dak eraf gereden bij de Stationstunnel in Den Bosch. De wagen was te hoog om door de tunnel te rijden, maar daar kwam de bestuurder te laat achter. Het zou om een jonge chauffeur gaan die pas net zijn vrachtwagenrijbewijs heeft, maar het bedrijf uit Elshout waar de vrachtwagen van is wil niet verder op details ingaan. [1] 
  2. (beroep) (techniek) persoon die een machine bedient
     De politie heeft de bestuurder van de hijskraan verhoord. Uit een eerste onderzoek is gebleken dat de man niet had gedronken.[2]
  3. (beroep), (bedrijfskunde) een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
    • De bestuurder wist niet meer wat hij met de situatie aanmoest en besloot daarom maar om zijn salaris te verhogen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. Omroep Brabant Maaike Cnossen 28-8-2019 Jonge chauffeur bestuurde vrachtwagen die dak verloor in Stationstunnel in Den Bosch
  2.   “Fatale aanrijding met hijskraan” (28 maart 2014), Rijnmond RTV
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be