• naai·en
  • In de betekenis van ‘geslachtsgemeenschap hebben’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485 [1]
  • In de betekenis van ‘met naald en draad maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
naaien
naaide
genaaid
zwak -d volledig

naaien

  1. overgankelijk het met behulp van naald en draad maken of herstellen van textiel (bijv. kleding)
    • Zij naaide een nieuwe jurk voor zichzelf. 
  2. inergatief, (dysfemisme) (seksualiteit) geslachtsgemeenschap hebben
    • Zij lagen in die kamer te naaien. 
  3. overgankelijk (informeel) iemand een verraderlijke streek leveren
    • Hij werd genaaid door zijn eigen collega. 
    • Met de zalvende domineeswoorden dat zijn tafel voor iedereen is en dat iedereen daar zijn verhaal mag doen. Op een ding had de redactie niet gerekend: dat Douwes bleef zitten. Slim, vond ik. Want zo kon ze ons kijkers haarfijn uitleggen op welke schandalige wijze ze genaaid werd door Twan en zijn redactie. [2] 
     Ik vroeg of ik zijn telefoon mocht gebruiken omdat het mijn dochters verjaardag was. De internationale belkosten kon hij op mijn rekening zetten. Hij knikte, maar zei dat het wel snel moest omdat hij al eens eerder was genaaid door torenhoge internationale belkosten.[3]
  • Aan iets geen mouw(en) weten te passen ( of te naaien)
  • In het pak genaaid zijn
  • Zijn naad ( of naadje) naaien
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]