• sek·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
seksen
sekste
gesekst
zwak -t volledig

seksen

  1. inergatief, (informeel), (seksualiteit) geslachtsgemeenschap hebben
    • Lekker seksen in de auto. 
  2. overgankelijk (veeteelt) naar geslacht sorteren: van jonge dieren zoals kuikens in de pluimveehouderij, of van sperma voor kunstmatige inseminatie
    • Daarna wordt van jou verwacht dat je binnen de drie seconden een kuiken kan seksen. [1]

de seksenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sekse
96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]


Telwoord (crh)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

seksen

  1. tachtig


Telwoord (tur)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

seksen

  1. tachtig