Hoofdmenu openen

WikiWoordenboek β

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maar
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: maer, māre, mar, mer < nemaer, nemāre
  • Verwant in Germaans:
Angelsaksisch: nǣre, Duits: nur, (Oudhoogduits: niwāri), Fries: mar (Oudfries: mar, mer, newēre)

Voegwoord

(nevenschikkend)
maar

  1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
    • Het is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil. 
Synoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord maar maren
verkleinwoord maartje maartjes

Zelfstandig naamwoord

maar v/m

  1. bezwaar, tegenwerping
    • De maar van jouw voorstel is dat ik het moet betalen. 
    • Zij gaven na veel mitsen en maren toch toestemming. 
  2. (aardrijkskunde) mare (ketelvormige verzakking in niet-vulkanisch gesteente)

Bijwoord

maar

  1. slechts
    • Ik heb maar drie euro op zak. 
  2. bij gebrek aan beter, niet wetend wat anders te doen
    • Ik heb maar gezegd dat ik het opnieuw zou proberen. 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Manado-Maleis

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Nederlands.

Voegwoord

maar

  1. maar