Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Kiel


Nederlands

  Niet te verwarren met: Kiel
Uitspraak
Woordafbreking
  • kiel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘boezeroen’ voor het eerst aangetroffen in 1370 [1]
  • [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord kiel kielen
verkleinwoord kieltje kieltjes

Zelfstandig naamwoord

de kiel

  1. m (scheepvaart) verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip die dient om het verlijeren tegen te gaan en het schip een grotere stabiliteit te geven
     Iets meer dan 10 jaar geleden vond de eeuwenoude ceremonie voor het laatst plaats. Het plaatsen van een munt bij de kiel van een te bouwen marineschip. Hiermee wordt geluk en voorspoed voor het vaartuig en de bemanning afgedwongen.[5]
  2. v/m (kleding) kledingstuk zonder voorsluiting dat het bovenlichaam bedekt en onder landbouwers populair was
  3. m (muziekinstrument) wigvormig pennetje waarmee in toetsinstrumenten zoals een klavecimbel, een snaar wordt getokkeld
    • De kiel of plectrum werd vroeger van een ravenpen gemaakt. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kielen

kiel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kielen
    • Ik kiel. 
  2. gebiedende wijs van kielen
    • Kiel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kielen
    • Kiel je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen