• like
enkelvoud meervoud
naamwoord like likes
verkleinwoord - -

de likem

  1. het tonen van goedkeuring door middel van het stemmen op het internet
    • Ik heb zijn pagina een like gegeven. 
    • Vervolgens sluit hij af met: ‘Bedankt voor het kijken, doe even dat blauwe duimpje omhoog als je dat nog niet gedaan had, 20.000 likes zou supervet zijn’. [1] 
vervoeging van
liken

like

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liken
    • Ik like. 
  2. gebiedende wijs van liken
    • Like! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liken
    • Like je? 
  4. aanvoegende wijs van liken


like

  1. man


vervoeging
onbepaalde wijs to  like 
he/she/it  likes 
verleden tijd  liked 
voltooid
deelwoord
 liked 
onvoltooid
deelwoord
 liking 
gebiedende wijs  like 

like

  1. mogen

like

  1. zoals


  • li·ke
Naar frequentie 274

like, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van lik

like, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van lik


  • li·ke

like, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van lik

like, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van lik