normaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nor·maal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘loodlijn’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van norm met het achtervoegsel -aal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen normaal normaler normaalst
verbogen normale normalere normaalste
partitief normaals normalers -

Bijvoeglijk naamwoord

normaal

  1. gangbaar, gewoon [2]
    • Dat is een normale manier om een aanbod af te slaan. 
     Ik grapte wel eens dat ik mijn vrouw tijdens de tocht misschien meer heb gesproken dan normaal dankzij lange gesprekken via FaceTime, audioberichten via WhatsApp en ouderwetse brieven.[3]
  2. als norm dienend
  3. (wiskunde) (natuurkunde) loodrecht (normaalkracht, normaalvector) [4]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • normaal gesproken
onder normale omstandigheden
•  Het cabinepersoneel zou normaal gesproken bij de nooduitgang zitten. Het is niet duidelijk waarom zij het incident niet konden voorkomen. In een verklaring, zei PIA: ,,Een passagier opende ten onrechte de nooddeur waardoor de noodglijbaan geactiveerd werd.” [5] 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord normaal normalen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

normaal v / m

  1. (wiskunde) loodlijn
  2. (meteorologie) gemiddelde waarde over een lang tijdsverloop
  3. benzine met een lager octaangetal dan superbenzine

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen