Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geur
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wat men ruikt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord geur geuren
verkleinwoord geurtje geurtjes

Zelfstandig naamwoord

geur m

  1. (biologie) gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
    • Hij kwam op de geur af en vroeg onschuldig: "Is er koffie?". 
     Geur is kennelijk een belangrijk overlevingszintuig en ik kon van verre al onderscheiden van welke dieren de uitwerpselen waren die ergens lagen. Dagjesmensen die ik soms tegenkwam op de trail, kon ik al van verre ruiken door hun scherpe deodorant, shampoo en parfumluchtjes. Ook al moet ik toegeven dat ik waarschijnlijk zelf ook een redelijk scherpe geurvlag uitzette.[2]
     Hij hield van de geur van groene zeep.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geuren

geur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
    • Ik geur. 
  2. gebiedende wijs van geuren
    • Geur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
    • Geur je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "geur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be