• op·schep·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opscheppen
schepte op
opgeschept
zwak -t volledig

opscheppen

  1. overgankelijk, (voeding) voedsel uit een schaal of pan op een bord doen
    • Schep jij even wat aardappelen op? 
  2. inergatief aangedikte beweringen doen, iets veel groter/indrukwekkender voorstellen dan het eigenlijk is (met als doel de eigen roem te vergroten)
    • Hij heeft vreselijk op zitten te scheppen over zijn huizenbezit in Amerika, maar nu kijkt hij maar treurig. 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]