(klemtoonhomogram)

  • over·drij·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overdrijven
ovərˈdrɛːvə(n)
overdreef
ovərˈdreːf
overdreven
ovərˈdreːvə(n)
klasse 1 volledig [A]

[A] overdríjven

  1. overgankelijk de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn.
    • De actievoerder overdrijft nogal over het aantal aanwezige betogers. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overdrijven
ˈovərdrɛːvə(n)
dreef over
dreːf ˈovər
overgedreven
ˈovərɣədreːvə(n)
klasse 1 volledig [B]

[B] óverdrijven

  1. ergatief tot het verleden gaan behoren.
    • Alle verdriet drijft na een zekere tijd over. 
  2. ergatief naar de overkant drijven.
    • Je rubberbootje drijft over als je het niet snel gaat halen. 
  1. passeren, overgaan, voorbijgaan, weggaan
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be