Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vriend
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kameraad’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • Eigenlijk tegenwoordig deelwoord van vrijen (liefhebben).[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vriend vrienden
verkleinwoord vriendje vriendjes

Zelfstandig naamwoord

vriend m

  1. (sociologie) een persoon met wie je een speciale, vriendschappelijke, persoonlijke band hebt
    • Mijn vrienden komen op mijn verjaardag. 
     Als ik bijvoorbeeld met mijn gezin op vakantie was of met een groep vrienden een weekendje weg ging, waren de verantwoordelijkheden gedeeld.[3]
  2. (sociologie) de mannelijke persoon met wie je verkering hebt; de mannelijke persoon met wie je een liefdesrelatie hebt
    • Ik wilde mijn vriend vragen om dit te repareren, maar hij was er niet. 
     Misschien nog ingewikkelder was het toen het uitging met mijn oudste dochter en haar vriendje.[3]
  3. (informeel), (pejoratief) ironische manier om iemand aan te spreken met wie men juist niet op goede voet staat
    • Beste vriend, dat gaat zomaar niet! 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Even goede vrienden!
Gezegd wanneer men geen wrok of anderszins negatieve gevoelens bij iets heeft (of dat althans niet wil laten merken)
Spreekwoorden
  • Een goede buur is beter dan een verre vriend.
Als je rechtstreeks hulp nodig hebt, heb je meer aan mensen in je nabije omgeving dan aan personen op grote afstand (ook al zijn die laatsten dan je vrienden).
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen