vriendelijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrien·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vriendelijk vriendelijker vriendelijkst
verbogen vriendelijke vriendelijkere vriendelijkste
partitief vriendelijks vriendelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

vriendelijk

  1. met het nodige respect
    • De vriendelijke man achter de toonbank gaf me mijn wisselgeld terug. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

vriendelijk

  1. op een manier zoals het passend is voor een vriend
     `Goedendag,' zei Sinterklaas vriendelijk.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. vriendelijk op website: Etymologiebank.nl
  2. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 13
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be