kameraad

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·me·raad
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘makker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kameraad kameraden
kameraads
verkleinwoord kameraadje kameraadjes

Zelfstandig naamwoord

kameraad m

  1. vriend; makker; maat; (in overdrachtelijke zin): in de oorlog en nadien in het communisme ook gebruikt als aanduiding voor gelijkgestemde, i.c. lid van de NSB, vaak afgekort tot Kam., of de (communistische) Partij. Tegenwoordig nog wel sarcastisch gebruikt ter aanduiding van aanhanger van een totalitair regime.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen