huisvriend


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·vriend
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisvriend huisvrienden
verkleinwoord huisvriendje huisvriendjes

Zelfstandig naamwoord

huisvriend m [1]

  1. vriend die op zeer vertrouwelijke voet aan huis komt
     Onder de vele jongemannen die dagelijks in het huis van Hélène verkeerden had Boris Droebetskoj, die in het leger carrière had gemaakt, na Hélènes terugkeer uit Erfurt de rol van meest vertrouwde huisvriend.[2]
     Volgens Vergouwen blijft een groot publiek behoefte hebben aan het kijken naar een soap met 'echte mensen'. "Kijken naar je dagelijkse huisvrienden of juist naar mensen aan wie je je enorm kunt ergeren."[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Leo Tolstoj   “Oorlog en Vrede” (1869), van Oorschot, ISBN 978902825115 1
  3.   Weblink bron “Utopia gaat toch door, 'verstandige zet van SBS'” (06-04-2018,), NOS