Nederlands

 
hert
Uitspraak
Woordafbreking
  • hert
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hert herten
verkleinwoord hertje hertjes

Zelfstandig naamwoord

hert o

  1. Cervidae   herkauwend zoogdier, het mannetje draagt een gewei
     Ik hoopte stiekem een beer te kunnen zien baden in de rivier, maar was ook wel tevreden met alle herten, eekhoorns, marmotten, vogels en de Amerikaanse adelaar.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Fries

Zelfstandig naamwoord

hert o

  1. hart


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /(x)hært/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

hert o

  1. hart
Verbuiging