-sel
![]() |
Huidig bestand |
---|
195 |
- -sel
- uit Middelnederlands -sel, uit Oudnederlands -(i)sl(i)(a) [1]
- vormt van een overgankelijk werkwoord een naamwoord van handeling, een zelfstandig naamwoord dat het resultaat of gevolg van de handeling aanduidt
- Bakken → baksel.
- vormt van een ergatief werkwoord een naamwoord van handeling, een zelfstandig naamwoord dat resultaat of gevolg van het proces aanduidt
- Stollen → stolsel.
enige woorden met dit voorvoegsel die nog moeten worden aangebracht
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Huidig bestand |
---|
13 |
- sel
Huidig bestand |
---|
1 |
- sel
-sel
- -sel, gebruikt om van een werkwoord een zelfstandig mannelijk naamwoord te maken met abstracte betekenis
- -sel, gebruikt om van een werkwoord een zelfstandig mannelijk naamwoord te maken met concrete betekenis
- -sel, gebruikt om van een werkwoord een zelfstandig onzijdig naamwoord te maken met abstracte betekenis
- -sel, gebruikt om van een werkwoord een zelfstandig onzijdig naamwoord te maken met concrete betekenis