• vorst
1 enkelvoud meervoud
naamwoord vorst vorsten
verkleinwoord vorstje vorstjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord vorst
verkleinwoord vorstje

de vorstv / m

  1. (adel) heersend edelman, bijvoorbeeld een koning, monarch of keizer [2]
    • De vorst werd tot aftreden gedwongen. 
  2. (meteorologie) weersomstandigheden waarbij water in ijs verandert [3]
    • Er wordt tien graden vorst voorspeld. 
  3. (bouwkunde) nok van een dak, bovenste rij pannen van een dak [4]
  4. bos, woud [5]
vervoeging van
vorsen

vorst

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
    • Jij vorst. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
    • Hij vorst. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van vorsen
    • Vorst! 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]