monarch

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·narch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘alleenheerser’ voor het eerst aangetroffen in 1605 [1]
  • met het voorvoegsel mono- en met het achtervoegsel -arch [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord monarch monarchen
verkleinwoord monarchje monarchjes

Zelfstandig naamwoord

monarch m [3]

  1. alleenheerser
     De hoogbejaarde monarch kampt sinds oktober, toen ze kort in het ziekenhuis werd opgenomen, met een broze gezondheid en mobiliteitsproblemen. Sindsdien heeft ze verschillende afspraken moeten afzeggen of digitaal vanuit huis bijgewoond. Vorige week liet ze nog verstek gaan bij haar troonrede.[4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
monarch monarchs

Zelfstandig naamwoord

monarch

  1. monarch
Afgeleide begrippen