stoppen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stilstaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1849 [1]
  • In de betekenis van ‘dichtmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stoppen
stopte
gestopt
zwak -t volledig

Werkwoord

stoppen

  1. herstellen (van een gat)
  2. vullen (van een pijp)
  3. doen halthouden
    • De agent liet ons stoppen voor een controle. 
  4. ophouden, ermee kappen
    • Zou je willen stoppen met fluiten? 
     Ik wenste hem veel succes met zijn tocht, ging in mijn tent liggen en dacht na over zijn verhaal. Ik kon me er niks bij voorstellen en werd al moe als ik eraan dacht om ook nog voor twee paarden te moeten zorgen op de tocht. Het was een mooi verhaal, maar het leek mij allemaal erg onverantwoord. Een week later hoorde ik dat hij gestopt was.[2]
     Het was alsof ik bij een onverwacht obstakel minder snel ging lopen of ik stopte zelfs helemaal totdat er iemand anders op het pad langskwam.[2]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stoppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stop
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen