• ei·gen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eigen eigener eigenst
verbogen eigenere eigenste
partitief eigens eigeners -

eigen

  1. op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf
    • Eigen huis. 
    • Vakantie in eigen land. 
     Ik heb nooit alleen gewoond, ik ben altijd met anderen op pad en ik ga met mijn gezin op vakantie of met vrienden een weekendje weg. Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.[4]
  2. typisch (voor)
    • Experimenteren is eigen aan de leeftijd. 
    • Iedere streek heeft iets eigens. 
     In De andere naam van Jon Fosse is de stijl zeker eigen. De Noorse meester van het langzame proza daalt in repetitieve, ritmische zinnen af in het hoofd van een piekerende schilder.[5]
  • Net als voltooide deelwoorden op -en krijgt "eigen" geen buigings-e als bijvoeglijk naamwoord, gesubstantiveerd kan het dat wel krijgen.
De schuld bij zichzelf zoeken
  • De splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen
over kleine fouten van een ander vallen, terwijl de eigen grote fouten niet worden gezien
  • Een koekje van eigen deeg geven
net zo vervelend behandelen zoals je zelf behandeld werd
  • eigen roem (lof) stinkt
door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk
  • Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
men moet zich niet zorgen maken over de toekomst
  • Het heft in eigen hand(en) nemen
de leiding nemen
  • Iemand in zijn eigen vet gaar smoren/laten koken
iemand niet helpen, maar zelf diens situatie laten ondervinden
  • Nog niet op eigen benen kunnen staan
nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden
  • Op eigen houtje
  • Op eigen wieken drijven
zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient
  • Over zijn eigen schaduw heen springen
  • Zijn eigen boontjes wel kunnen doppen
Menen dat men andermans hulp niet nodig heeft
  • Zijn eigen glazen ingooien
het voor zichzelf bederven
  • Zijn eigen graf graven/delven
het voor zichzelf bederven
  • Zijn eigen nest bevuilen
vervelende dingen over de eigen familie zeggen
  • Zijn eigen straatje vegen
zijn eigen werk doen
vervoeging van
eigenen

eigen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
    • Ik eigen. 
  2. gebiedende wijs van eigenen
    • Eigen! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
    • Eigen je? 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. eigen op website: Etymologiebank.nl
  3. "eigen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Weblink bron
    Emilia Menkveld
    “Vijf Nederlandse vertalers maken kans op Filterprijs 2020” (13 maart 2020), de Volkskrant
  6.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


eigen

  1. eigen; op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf


eigen

  1. eigen; op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf


eigen

  1. eigen; op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf